Pade-wat? Pademelon, wombat en duivel op Tasmanië
Door: Simone
Blijf op de hoogte en volg Simone
21 Februari 2026 | Australië, Maria Island
8 februari
Wat is het heerlijk om te slapen in een groot, luxe bed. We zijn helemaal bijgekomen en dus is het hoog tijd om weer verder te gaan. We hebben zin om meer van Australië te verkennen. Dat betekent opnieuw een vlucht pakken, want we gaan naar Tasmanië! Ik heb hier al zin in sinds voor we vertrokken, want 15 jaar geleden ben ik een weekje naar Tasmanië geweest en dat was fantastisch (zij het erg nat). Om niet weer in de herfst -en dus in de regen- te zitten, gaan we lekker nu, nu de schoolvakantie voorbij is, zal het er vast lekker rustig zijn, denken we.
De vlucht (Virgin Australia) geeft ons nog een keer uitzicht op de prachtige stranden van West-Australië, maar verder is er weinig over te zeggen. Een kleine vier uur na vertrek landen we in Launceston, door de locals ook wel ‘Launnie’ genoemd. Het is de tweede grootste stad van Tasmanië, na hoofdstad Hobart. Er wonen zo’n 90.000 mensen en deze stad is een UNESCO City of Gastronomy. Dit keurmerk wordt uitgedeeld aan plekken waar onder andere veel met lokale producten wordt gewerkt, op een duurzame manier. Het betekent vooral dat je hier heerlijk kunt eten en daar komen wij al snel achter!
We strijken neer bij de Brisbane Street Bistro, een klein stukje lopen van ons hotel. De gastvrouw runt het restaurant samen met haar man. Van de aankleding (in een oud herenhuis) tot het menu, ze doen het allemaal samen en het voelt als thuiskomen. Het eten is heerlijk en we komen helemaal bij van de reisdag. Het blijkt een goed startschot van ons verblijf in Launceston.
9 februari
We slapen schandalig lang uit, want we sliepen laat. Dat komt mede doordat het hier drie uur later is dan aan de westkust. Er zijn drie standaard tijdzones in Australië, maar afhankelijk van de zomer en winter kunnen de tijden nog meer verschillen. Op dit moment zouden we naar 5 verschillende plekken kunnen reizen en telkens een uurtje (of een paar uur) op- of af moeten trekken. Opletten dus…
Na een uitgebreide brunch (opnieuw lokaal en heerlijk) bewegen we ons door het centrum van Launceston. Er staan hier veel gebouwen die Victoriaans aandoen. We voelen ons er wel thuis bij, het heeft wat Brits, maar soms ook Oostenrijks. Na wat winkels ingehupst te zijn, waar ik een nieuwe zonnebril scoor, de mijne bleef waarschijnlijk achter in Cape Range National Park, lopen we naar de rand van de stad naar het Cataract Gorge Reserve.
Deze kloof is miljoenen jaren oud en wordt ook al vele jaren geliefd door de inwoners van Launnie. We wandelen over het pad met prachtige uitzichten op de kloof, om vervolgens in een soort park aan te komen, met theehuis en wilde pauwen. Het voelt een beetje alsof je in een landgoed van Lodewijk de 14e bent beland.
Een van de belangrijkste bezienswaardigheden hier is een ouderwets kabelbaantje, met ijzeren spijl om de bezoekers op hun plek te houden. We kunnen het niet laten en laten ons -tergend langzaam- naar beneden vervoeren, met wijds uitzicht over de hele kloof. Geen straf.
We maken de wandeling af met een rondje om de South Esk, ‘laykila’ voor de natives. We eten ’s avonds opnieuw fantastisch lekker, in een oude slagerij, nu omgetoverd tot vermaard steakrestaurant. En we maken plannen voor de rest van onze tijd hier in Tasmanië, want hoewel het heerlijk chill is in Launceston, willen we zo veel mogelijk zien van al het moois dat Tasmanië ons te bieden heeft.
10 februari
De eerste stop van onze nieuwe roadtrip is Jacobs Ladder, een weg met haarspeldbochten. Tasmanië heeft in de winter twee plekken waar je kunt wintersporten. Langs de weg staat een bord dat adverteert voor de verhuur van ski’s en snowboards en voor we naar boven rijden met onze Mitsubishi Outlander zien we een bord dat ons vertelt dat we onze sneeuwkettingen moeten omdoen. Dat laten wij voor nu even zitten, maar we zetten wel de gravelstand op onze nieuwste auto aan.
Jacobs Ladder is niet zomaar een stukje rijden, het is een flinke klim in een imposant gebergte, Ben Lomond genaamd. Hier zijn vijf van de hoogste pieken van Tasmanië. Na een lichte klim door een eucalyptusbos, staan we onderaan Jacobs Ladder, tussen de pieken van doleriet, een gesteente dat qua uiterlijk lijkt op basalt. Het heeft ook dezelfde soort kolommen.
Naar boven rijden door haarspeldbochten op een gravelweg is misschien niet voor iedereen een leuk avontuur, maar wij genieten ervan! Langzaam kruipen we omhoog. Wie naar boven gaat, moet voorrang verlenen aan het naar beneden komende verkeer. En zo gebeurt het dat ik halverwege onze auto in zijn achteruit moet zetten, om ruimte te maken. Na een aantal bochten (het zijn er 5 of 6, maar pin me er niet op vast) staan we boven en worden we beloond met een prachtig weids uitzicht. Harald gaat speciaal nog een paar bochten naar beneden (en ook weer terug omhoog voor de foto’s).
Denk je hagelwitte stranden in, met een kraakheldere, blauwe zee en ronde rotsblokken die verspreid over het strand liggen, bedekt met een rood-oranje laag mos. Zie je het voor je? Mooi, dan ben je nu in gedachten bij de Bay of Fires. Zo’n 50 kilometer kust aan de oostkust die bekendstaat om precies deze combinatie van bountystrand en stenen uit een mythische saga. Het is ook onze eindbestemming van vandaag.
Het is heerlijk weer, dus het strand ligt er prachtig bij. Maar het water is niet zo warm als in West-Australië, dus houden we het voor nu even bij pootjebaden. We wilden eigenlijk in een van de grotere dorpjes hier vlakbij slapen, maar ondanks onze research, blijkt er nauwelijks iets beschikbaar. Behalve een luxe tent met matras erin, Glamping dus. Toeval wil dat het ook meteen het enige verblijf is dat in de Bay of Fires ligt, dus win-win wat ons betreft.
Na het inchecken rijden we naar een dorpje verderop en worden meteen verrast met een waarschuwingsbord voor een wombat, die hadden we nog niet eerder gezien! We bezoeken nog zo’n prachtig strand, rijden nog verder rond langs de kust en door het naastliggende bos en staan dan ineens oog in oog met een kleine kangoeroe, een wallaby, vermoeden we. Maar deze ziet er wel uitzonderlijk schattig uit. En hij is ook niet zo verlegen als de wallaby’s die we eerder zagen. Als we stoppen, blijft hij staan en kijkt nieuwsgierig naar ons. Pas als we de motor weer aanzetten, springt hij weg. Als we het opzoeken, blijkt dat we zojuist onze eerste Tasmaanse Pademelon hebben gespot. Ook een beestje uit de kangoeroe-familie, maar weer net even anders dan de wallaby’s en de kangoeroes. Ze worden maximaal 60 centimeter groot en wegen dan zo’n 7 kilo. Net een ruime kilo meer dan onze grote rode kater Salta thuis. Je zou ze bijna meenemen als huisdier.
11 februari
We worden wakker met het geluid van kookaburra’s. Deze herriemakers kennen we nog van de zuidkust van WA. Het zijn grote vogels, die veel voorkomen in Australië en een heel herkenbaar, lachend geluid voortbrengen. Het zijn heerlijke herriemakers en het voelt als een goed teken om ze weer om ons heen te horen.
Behalve stranden is er in de Bay of Fires niet veel te doen, dus gaan we verder zuidwaarts richting Bicheno. We maken een spontane stop bij de ‘blowholes’, gaten in het gesteente waar de zee zich (op sommige momenten) met kracht doorheen naar boven duwt en spray veroorzaakt. In tegenstelling tot de blowholes in WA, kunnen we hier wel genieten van wat natuurgeweld. Terwijl ik een foto maak, staat Harald naast een flinke spray. De Amerikaan die naast ons staat is er nog enthousiaster over dan wij: “Wooo! Did you get that?! That was amazing.” Deze pensionado staat nog net niet te springen naast ons. Zijn enthousiasme werkt aanstekelijk, dus ook ik laat me natsproeien bij de blowhole. Je bent er per slot van rekening maar een keer…
Omdat we opnieuw moeite hebben met het vinden van een verblijf, eten we eerst een hapje. Of eigenlijk: we rijden langs een groot bord met daarop ‘Lobster Shack’ en mijn maag gaat knorren, dus rem ik af. We besluiten uiteindelijk maar langs een paar verblijven te rijden, vermoedend dat ze hun online beschikbaarheid op een gegeven moment dicht gooien, maar we hebben het mis. Wat blijkt? Als de schoolvakanties voorbij zijn, gaat iedereen zonder kinderen op vakantie. Tel daarbij op dat het nog steeds zomer is, dus lekker warm, en je hebt een eiland dat helemaal propvol is. Maar: zonder geluk vaart niemand wel en ineens, na een hele hoop zoeken plopt er toch nog een verblijf op dat redelijk geprijsd is (en dus geen 600 euro per nacht kost). Dus dat boeken we nog tijdens het rijden.
We hebben ons door de tegenslag van de verblijven namelijk niet laten tegenhouden en zijn onderweg gegaan naar Wineglass Bay, misschien wel een van de bekendste stranden van Tasmanië. Het dankt zijn naam aan de tijd van de walvisvaarders, die brachten de karkassen naar het strand en verwerkten ze, waardoor het water en strand rood kleurde. Tegenwoordig staat het vooral bekend om zijn schoonheid, met opnieuw -het wordt saai- wit zand, blauwe zee en daarbij opgeteld ook nog een bijzondere kromming en naastgelegen bergtoppen van roze graniet en je hebt een waanzinnig plaatje. De hike er naartoe is al licht pittig, maar staat in het niet van de eindeloze hoeveelheid trappen die je moet afdalen om het strand te bereiken. Wij laten de trappen erbij zitten, de wandeling en het uitzicht zijn voor ons voldoende om van te genieten.
Terwijl Wineglass Bay de publiekstrekker is van het schiereiland, worden wij enorm verrast door de schoonheid van het vlakbij gelegen Honeymoon Bay. Twee kleine strandjes, met dezelfde roze stenen, verspreid wat bomen en uitzicht over de kust. Er vliegt zelfs in de verte nog een adelaar over. We worden opnieuw enorm verwend en hebben deze plek zelfs zo’n tien minuten volledig voor onszelf.
Terug in Bicheno doen we nog een poging fairy Penguins te spotten, dwergpinguïns in het Nederlands. Ze komen hier op het eiland op verschillende plekken voor en je kunt een tour doen om ze te zien, maar wij willen het graag zelf proberen. Lang verhaal kort: we zitten anderhalf uur bij het vallen van het donker (en uiteindelijk in het pikkedonker) naar de zee te turen maar zien precies niets. We beloven onszelf dat we het later nog een keer zullen proberen op een andere plek en misschien doen we dan wel een tour…
12 februari
We staan vroeg op en springen de auto in, want we moeten de ferry halen op ruim een uur rijden van waar we zijn. Ondanks de drukte op het eiland, zijn er gelukkig nog steeds geen files, dus gaat dat soepeltjes.
De ferry brengt ons in een halfuurtje naar Maria Island, of wukaluwikiwayna, zoals de Aboriginals het noemen. We krijgen twee mountainbikes mee en crossen al snel over het eiland heen. Maria Island werd een tijdlang gebruikt als gevangenis voor lichtere criminelen. Ze verbouwden granen, hielpen met het brouwen van alcohol en werkten in de bouw. Er zijn verschillende ruïnes die herinneren aan die tijd.
Maar de veelkleurige kust bij de Painted Cliffs zijn voor veel bezoekers een van de belangrijkste bezienswaardigheden: meerkleurige, grillig gevormde stukken gesteente waar de golven onder klotsen. Over de jaren heen is grondwater met ijzer erin door de lagen zandsteen gesijpeld en heeft hier een prachtig kleurenpalet achtergelaten. Zoals op zoveel plekken wachten we rustig een minuut of tien af en kunnen ze daarna in alle rust bewonderen.
Even verderop zien we een groep mensen van een tour ingespannen kijken. We hopen dat ze de eerste wombat al hebben gespot, want als je het internet mag geloven is er op elke vierkante meter van dit eiland minstens 1 wombat te zien. Maar nee, het is een tijgerslang en een grote ook! We schatten in zo’n anderhalf tot twee meter, dus we doen rustig een paar stappen achteruit als hij aan de wandel gaat.
Er zijn ook verschillende oude gebouwen die je kunt bezoeken. Wat er nog over is van de brouwerij staat middenin het woud. Van het oorspronkelijke dorpje Darlington, waar de meeste mensen op Maria Island woonden, staat wel meer overeind, zoals de school, en de oude gevangenis doet inmiddels dienst als een soort hostel waar je kunt overnachten.
Na een kort rondje en een soort van verplichte lunch vanwege een flinke regenbui, stappen we weer op de mountainbikes en rijden naar de Fossil Cliffs, de andere kant uit. Hier is een steengroeve met -de naam verraadt het al- enorm veel fossielen. Reden dat er zoveel gevonden worden, is dat de rotsen gebruikt werden voor de productie van cement. Als je ziet hoe mooi het hier is, kun je je niet voorstellen dat er ook maar iemand is geweest die het een goed idee vond om een stuk ongerepte kust op te offeren voor cement, maar goed, hier staan we.
Even verderop zien we een paar mensen bovenaan een heuvel staan. Ik roep zo zacht als mogelijk: Wombat? En krijg een duimpje omhoog. Het is de eerste wombat die we zien en het geluk wil dat ze ook nog een kleintje bij zich heeft. Het is schattiger dan je je voor kunt stellen. Beeld je een uit de kluiten gewassen hamster in van zo’n meter lang, met lang haar in allerlei verschillende bruintinten. Het kleintje is zelfs nog een beetje blonder, wat het alleen maar schattiger maakt. Ik maak naar hartelust foto’s en als de dame die haar duim omhoog steekt verzucht dat ik vast veel betere foto’s kan maken daarmee dan zij kan met haar telefoon, beloof ik ze op te sturen (wat ik ook heb gedaan).
We vervolgen onze weg naar boven. En wie denkt dat dat fietsend is, heeft het mis. Het pad is megasteil en zelfs de eerste meters naar beneden, na even uitpuffen helemaal bovenaan, doen we lopend. We gaan thuis ook wel eens mountainbiken, maar de ruige heuvels van Maria Island doen de klimmetjes in het bos bij Leersum in het niet vallen. Gelukkig kunnen we al snel weer onze stalen rossen op. We hopen nog steeds op veel wombats, maar zien voornamelijk pademelons.
Middenin het bos lopen we naar een verlaten barak en spotten dan zelfs nog de grootste kangoeroes die ze hier op het eiland hebben rondhupsen. Denk ongeveer drie pademelons groot (zo’n anderhalve meter dus). We kunnen op slechts een paar meter van ze komen zonder dat ze wegrennen, wat echt enorme mazzel is, want meestal zijn de kangoeroes sneller weg dan je je camera kunt pakken, zeker als je dichtbij komt. We lopen op onze tenen om de zoet slapende kleine pademelon heen die hier normaal gesproken in alle rust kan vertoeven.
Terwijl we langzaam teruggaan naar de bewoonde wereld (lees: wat er over is van het dorp met de handvol huisjes) beginnen we te denken dat de beelden die we op de sociale media zagen wel wat rooskleuriger zijn dan de realiteit, we hebben namelijk nauwelijks wombats gezien. Tot we bijna het dorp in rijden en er nog een zien scharrelen. En dan even verderop nog een. En nog een paar meter verder ligt er eentje verscholen te slapen. Uiteindelijk komen we uit op 5 wombats, helemaal niet verkeerd, want het zijn dieren die in de loop van de middag pas actief worden en wij gaan met de ferry van half zes naar huis.
Terwijl we de laatste wombat bewonderen zegt de dame die er vlakbij zit: hebben jullie die Tassie devil ook al gezien? Er blijkt een jonkie in de settlement te zitten. Dus opnieuw lopen we heel stilletjes die kant op en jawel hoor: een Tasmaanse duivel in het wild. Echt een enorm geluksmoment. Van de Tasmaanse duivel zijn er nog maar weinig, door menselijk ingrijpen (introductie van vossen), door een hardnekkige ziekte en door aanrijdingen bij de weg. Bovendien zijn ze vooral ’s avonds actief, dus ze overdag zien is best bijzonder. Dit lijkt een jonkie te zijn, dat mogelijk leeft in een nestje onder een van de gebouwen. Het is wat ons betreft nog veel specialer dan de wombats en iets waar we totaal niet op hadden gerekend.
Eenmaal terug aan land zijn we blij dat we een simpel motelletje hebben geboekt op zo’n 3 minuten rijden van de haven. Maar eenmaal daar blijkt onze avond toch nog anders te gaan verlopen dan gedacht: de boeking is niet/te laat/verkeerd binnengekomen en het motel zit vol. Net op het moment dat we denken dat het niet meer goed gaat komen en we maar de boekingsapp openen om een ander verblijf te zoeken, blijkt toch ineens dat er wat voor ons geregeld is: een dorpje verder zit ook een motel en daar is een kamer voor ons geboekt. Geen extra kosten en maar tien minuutjes rijden. Dat redden we nog wel. Het motel is meer dan basic, maar we zijn zo moe dat het ons allemaal niets meer uitmaakt.
13 februari
Gelukkig is het ontbijt in Orford een stuk beter dan het motel. Met volle magen vervolgen we onze weg zuidwaarts naar de Tasman Peninsula, een schiereiland vlakbij hoofdstad Hobart. Die weg brengt ons bij Pirates Bay, bij Eaglehawk Neck. Een strand met daarnaast een door de natuur uitgesleten zoutpan, met vierkante vormen. Het is een natuurlijk verschijnsel dat schijnbaar niet zo veel voorkomt. Waarom het hier precies Pirates Bay heet, moet ik jullie schuldig blijven, maar ik kan het niet laten om als Jack Sparrow over de stenen te rennen. Je bent zo jong als je je voelt, zullen we maar zeggen.
We stoppen ook nog bij de Tasman Arch en Devils Kitchen, wat heel indrukwekkend en spannend klinkt, maar eigenlijk rotsformaties zijn van de kliffen hier. De zee slaat hier tegen de rotsen aan, waardoor kloven ontstaan. De een is nog dicht aan de bovenkant, de ander is al ingestort waardoor het een volledig open kloof is geworden. Verwachting is dat de andere kant ook zal instorten, maar daar zullen nog wel even wat jaartjes overheen gaan.
We checken eerder dan gebruikelijk in bij ons motel, want we willen nog even chillen. Voor het eten rijden we naar Port Arthur, waar een voormalige gevangenis ligt. We hebben tijdens de maaltijd uitzicht op wat daar nog van over is. Dit gebouw ligt er net naast en gaat er prat op naast deze ‘historic site’ te liggen. Onthoud dit even voor later.
Als het echt donker is, rijden we naar Port Arthur zelf voor een ghost tour. Die doen ze hier de hele dag door, maar wij doen de laatste van de dag, in het donker, extra eng. Ik ben niet zo’n held, maar deed deze tour bijna 16 jaar geleden ook en het was een van de hoogtepunten van mijn trip, dus laat ik me vrijwillig opnieuw de stuipen op het lijf jagen. Op vrijdag de 13e. Waar ben ik aan begonnen?
Met een gids en een groep van zo’n 20 man gaan we op pad. Voorop loopt iemand met een lantaarn met een kaarsje erin, drie anderen lopen met een elektrische lantaarn, waarvan ik er een ben. Wij hebben met zijn vieren de schone taak om te zorgen voor genoeg licht. Er is ook een gids mee, die op verschillende plekken vertelt over de geschiedenis van Port Arthur, de gruwelen die hier plaatsvonden en van de activiteiten die hier worden waargenomen.
Port Arthur was dus een gevangenis, maar niet eentje waar men graag naartoe ging, zoals op Maria Island, waar het leven voor de gevangenen relatief goed was. Port Arthur was een horrorgevangenis. Mensen kregen lijfstraffen, moesten zwaar werk doen, ze werden zelfs in volledige stilte opgesloten als ze zich heel zwaar misdroegen. Er zijn heel veel mensen overleden en de overtuiging is dat de geesten van sommigen van hen nog rondwaren.
Als je niet in dit soort dingen gelooft, helemaal prima, maar ik beloof je: als je eenmaal naar Port Arthur bent geweest en de verhalen hebt gehoord (ook uit de eerste hand van de medewerkers) dan ga je er vanzelf in geloven. Zo is er het verhaal van een medewerker van de gevangenis die overleed. Zijn vrouw en kind mochten niet in het huis blijven waar ze woonden en dat viel niet zo goed. Van de werklui die het huis vervolgens moesten opknappen, werd er eentje middenin de nacht aangevallen. Het schijnt zelfs dat er geen enkele hond is die het huis wil betreden, dus waarom wij met de hele groep in het stikdonker wel naar binnen zijn gegaan, ik weet het ook niet precies. Maar we zijn er gelukkig heelhuids uit gekomen.
Ook is er een soldaat onder mysterieuze omstandigheden verdronken. Weet je nog dat eerder genoemde hotel? Dat is dus gebouwd net grenzend aan de ‘historic site’. Maar de gids die ons rondleidde zei: er lag daar een groeve, er zijn ook daar ongetwijfeld mensen overleden. Dus ik zou er niet slapen… Bovendien zijn er al meerdere mensen bij dat hotel geweest die op verschillende momenten middenin de nacht wakker werden omdat ze iemand hoorden roepen om hulp. Maar uit het raam keken en niemand zagen… Wij zijn in elk geval blij dat we ergens anders slapen. Al moest ik nog wel een paar hele vrolijke tekenfilms kijken voor ik rustig en wel in slaap viel.
14 februari
Hoofdstad Hobart staat op het programma. Helaas blijft het bij een flitsbezoekje, want vanwege Valentijnsdag is er werkelijk geen hotelkamer, hostel of motel meer beschikbaar.
We starten onze dag op de Salamanca Market. Eindeloos veel kraampjes met eten, souvenirs en vooral veel lokaal gemaakte producten. Werkelijk alles komt voorbij, van opalen tot armbanden, shampoo, thee, houtsnijwerk en nog zo veel meer. We vermaken ons een paar uur en doen ons tegoed aan al het lekkers dat er te vinden is.
We lopen nog wat rond in de rest van de stad, maar doordat het zaterdag is, gaan veel dingen ook eerder dicht. We besluiten dan maar een paar kerkjes in te lopen. Vooral de Anglicaanse kerk is heel rijk gedecoreerd. En toch is hier geen kip te bekennen, bijzonder.
Een uurtje van Hobart ligt Mount Field, onze slaapplaats voor vanavond. Maar eerst gaan we op zoek naar de platypus, het vogelbekdier. Ze komen op Tasmanië op een aantal plekken voor en zijn groter dan hun broertjes op het vasteland. We krijgen wat tips en zijn hoopvol, maar na ruim een uur moeten we onze zoektocht staken om eten te maken.
Wat wél lukt zijn de glowworms. Ze zitten een klein stukje lopen van ons verblijf, wat op een steenworp afstand ligt van het park met de watervallen. Gewapend met onze lamp lopen we in het donker het pad op. Dit druist in tegen alles dat iedereen ons heeft verteld over veilig rondlopen in Australië, maar het wordt hier wel aangeraden, dus durven we het aan. We schrikken wel even als we iets horen ritselen, maar al snel blijkt dat het possums zijn, buidelratten. Het zijn echte nachtdieren en ze zitten vlak naast het pad. Grappig genoeg schrikken zij net zo hard van ons als wij van hen.
Op een gegeven moment moeten we ons lampje uitdoen, de reling vastpakken en stapje voor stapje verder lopen in het donker. Er zijn nauwelijks sterren te zien, want het pad ligt verstopt onder het gebladerte van het oerwoud. Terwijl we horen dat we steeds dichterbij de waterval staan, neemt ook de hoeveelheid glowworms toe. Ze leven in donkere en vochtige omgevingen, dus dit is een perfecte plek voor ze. In het pikdonker zien we een soort lichtblauw puntje aan- en uitgaan. Dat is het teken dat deze larven aan het jagen zijn en dat kan alleen bij volledig donker, dus we mogen onze lamp tussendoor ook niet aandoen.
Het is wat mij betreft de perfecte afsluiter van een bijzondere week Australië. En die platypus komt vast nog wel goed ergens de komende tijd, hoop ik.
-
21 Februari 2026 - 14:57
Koos Vogel:
Prachtig verslag weer jongens!
Reageer op dit reisverslag
Je kunt nu ook Smileys gebruiken. Via de toolbar, toetsenbord of door eerst : te typen en dan een woord bijvoorbeeld :smiley